Schrijf een boek en geen encyclopedie

encyclopedie Schrijf een boek en geen encyclopedie. Wat is het verschil? In een encyclopedie staat alles. Wanneer u het kleinste friemelfeitje mist, is de encycopedie meteen niks meer waard.  Nu zegt u braafjes: “Ja natuurlijk.” Maar zeg eens eerlijk: wilt u niet ook heel erg veel in uw boek stoppen?

Dat is moeilijk. En toch moet u die aandrang in bedwang zien te houden.

Wat is een boek?

Een boek is geen opsomming van feiten of een opstapeling van en-toen, en-toen, en-toen. Een boek is vrijwel altijd een verhaal met een zekere structuur:

  • een begin: de uitgangssituatie
  • een tussenstuk: daarin gebeurt er iets
  • een einde: de uitgangsituatie is veranderd

Beschrijft u bijvoorbeeld in uw boek een rondreis door uw keuken, dan staat alles aan het einde misschien nog waar het in het begin stond, maar u bent veranderd: u ontdekte dat u reden tot tevredenheid heeft, of dat het tijd is voor de grote schoonmaak, of u besluit nooit meer te koken. Dat is een boek: het heeft een verhaalelement.

Kiezen

Wat voor veel boekenschrijvers moeilijk is (zeg ik uit ervaring), is kiezen wat wel en niet in uw boek komt. U heeft een verhaal, u weet wat u wilt vertellen, maar u weet nog zo heel erg veel meer daarvan dat ook de moeite waard is. Dat is het encyclopedie-denken van “het moet er allemaal in”. Gaat niet werken. Een deel van uw schatkamer aan weetjes kunt u opbergen in een voorwoord, een nawoord, in bijlagen en in voetnoten, maar dan is de ruimte op. Maar: u kunt altijd een volgend boek schrijven. Of een mooie kleine uitgave voor erbij.

Hoe moet u kiezen? De theorie is simpel. U schrijft in een paar regels op waar uw boek over gaat: begin – tussenstuk – einde. Alles wat u in het boek wilt zetten, moet daaraan bijdragen. Het moet dus functioneel zijn.

Dus wèl de 78 theelepeltjes in de keukenla die toch ergens moesten liggen. Maar niet het decoratieve bord dat in de huiskamer hangt. De keuken, daar ging het om.

De praktijk van deze theorie vergt oefening, en dat zeg ik wederom uit eigen ervaring. Van elk boek dat ik schrijf, hou ik een map over waar ik op schrijf: “Nog iets mee doen.” En eigenlijk is dat best een rijk bezit.

Voetnoten zijn de snoepjes van elk boek

voetnoten Voetnoten zijn de snoepjes van elk boek. Tenminste, voor de lezers die werkelijk belangstelling hebben voor wat u schrijft. En zeg nou zelf, wilt u andere lezers dan die werkelijk belangstelling hebben? Toch geen mensen die uw boek vluchtig doorbladeren en het “wel leuk” vinden?  Ik gun u meer.

Wat is een voetnoot, waarom is het een snoepje en kan een boek ook zonder? Daar gaat het over.

Reputatie

Het jammere is dat de voetnoot een slechte reputatie heeft. Een paar regels te kleine lettertjes in een onleesbaar wetenschappelijk boek, waar niemand echt op zit te wachten. Zo’n voetnoot wil niemand schrijven. Ik ook niet, hoor. Wel andere. Er zijn ook leuke voetnoten. Snoepjes.

Terzijde

Het kan gebeuren, dat u overborrelt van kennis en enthousiasme voor het onderwerp van uw boek. Dat is heerlijk en moeilijk tegelijk want als u alles opschrijft, dan:

  • komt het boek misschien nooit af of pas over tien jaar, en het is de vraag of u dat volhoudt
  • produceert u een zeer dik boek, en of uw lezers daar zin in hebben is de vraag
  • ontneemt u zichzelf en uw lezers de aangename spanning van wachten op het volgende deel

Ik ben niet tegen dikke boeken, daar ben ik eigenlijk juist voor. Wanneer u aan uw eerste boek werkt, dan zeg ik: zorg dat het afkomt, en schrijf daarna het tweede deel.

Maar ja. In dit eerste deel wilt u ook heel veel zeggen. U weet van die feitjes en terzijdes en grapjes en verbanden die niemand anders weet. Ze passen niet goed in de lijn van het hoofdstuk.

Kijk, daarvoor zijn de voetnoten. Ze staan onderaan de bladzijde, gezellig bij het verhaal, dat leest gemakkelijk. Ooit las ik een boek met een halve pagina voetnoten. Las ik al-le-maal. Ze waren onderhoudend. Ik kon er geen genoeg van krijgen.

Achterin

Soms staan de noten achterin. Dan zijn het eindnoten. Daar moet u zin in hebben. Ik heb dat nooit. Steeds dat geblader, nee. Zoiets is goed voor superwetenschappelijke boeken.

Vrij

Verplicht is de voetnoot niet. Het staat u vrij om ze wel of niet op te nemen. Misschien zijn er wel meer boeken zónder voetnoten dan met. Persoonlijk hou ik van die snoepjes. Maar dat ben ik.

Wat mag ik van een uitgever verwachten?

uitgever Wat mag ik van een uitgever verwachten? Dat is een belangrijke vraag. Wanneer u erover nadenkt een boek bij een uitgever te publiceren, bevindt u zich meteen in een dubbele positie. U bent de auteur en emotioneel aan het boek verbonden, maar u bent ook een zakelijke partij.

De boekenwereld is veel, maar ook: zakelijk. Het is geven en nemen, investeren en verdienen, idealisme en zakelijkheid.

En dat verschilt ook nog per uitgever. Minimaal mag u verwachten dat de uitgever zich aan het contract houdt. Daar is het voor.  Kort gezegd zorgt een uitgever voor publicatie en promotie ter verkoop. Eigenlijk is de rest een bonus.

Verwachtingen

Dat heb je met verwachtingen. Hoe minimaler ze zijn, hoe beter. Dat is in de romantiek ook al zo. Het is beter om te kijken naar mogelijkheden van de uitgever. Een grote uitgever werkt anders dan een kleinere. Wat u kiest, hangt af van uw persoonlijke voorkeur.

Grote uitgever

Echt grote uitgevers zijn van het kaliber Prometheus en de Arbeiderspers. Het zijn organisaties die (meestal) marcheren als een goed lopende machine. Ze kunnen veel: uw werk redigeren, snel en goed persberichten schrijven, auteursfoto’s regelen, goede vormgevers inschakelen en dan hebben ze ook nog een heel netwerk in de media. Altijd een aansluiting bij het  Centraal Boekhuis (dat levert boeken aan de winkels) en vertegenwoordigers die de boekwinkels bezoeken om uit te leggen dat ze van uw boek zeker tien exemplaren moeten kopen. Zo verkocht Uitgever Lebowskihet eerste boek van Astrid Holleeder: de titel en de auteur moesten geheim blijven, het was puur vertrouwen in de uitgeverij waardoor de boekwinkels grote stapels inkochten. En daarna weer verkochten.

Nadelen aan zo’n grote uitgeverij zijn er zeker. U bent een klein radartje in het geheel en veel eigen inbreng wordt niet op prijs gesteld. Dat heet: “eigenwijs.”  Wanneer u debuteert, is een uitgeverij terughoudend met een advertentiebudget. Dus als u droomt van uw gezicht op posters, wordt het zelf plakken. Als de uitgeverij daar toestemming voor geeft, natuurlijk.

Het is moeilijk om binnen te komen. Dergelijke uitgeverijen krijgen enorm veel aanbod.

  • Niet doen: een manuscript insturen en bij de brievenbus gaan kamperen.
  • Wel doen: meerdere uitgeverijen aanschrijven, via-via-via proberen. Kijk op Linkedin voor connecties

Kleine uitgever

Hoe kleiner de uitgever, hoe meer u zelf kunt en moet doen. Bij een eenmanszaak zitten geen drie pr-meisjes om de persberichten na te bellen. Grote kans dat u dat zelf doet, en ze zelf schrijft. U organiseert zelf signeersessies, denkt mee over de boekpresentatie en de kosten ervan en u overlegt met de uitgever over mogelijke publiciteit. Samen bent u met elk stukje blij.

Dat is dus het pluspunt van een kleine uitgeverij: de betrokkenheid. U heeft meer ruimte. Wanneer u een ander lettertype wilt en uitlegt waarom, dan wordt er naar u geluisterd. U bent niet eigenwijs, u bent iemand met visie.  De uitgever gelooft sterker in u en in uw boek. Er is meer samenwerking. En u weet: samen kom je het verste.

  • Niet doen: uit blijdschap dat een uitgever uw boek wil, denken dat contract komt nog wel
  • Wel doen: nagaan hoe vorige boeken van deze uitgever het hebben gedaan, google titels en auteurs

Er zijn ook middengrote uitgeverijen, POD-uitgeverijen, web-only uitgeverijen en nog andere tussenvormen. Maar de vraag is: wilt u een kleine vis in een grote vijver zijn of een grote vis in een kleine vijver?